De vriend loopt op zijn tenen door het huis. Ik ben in de rouw om jou, en nu vind ik het jammer dat ik jouw niet met een ‘w’ kan schrijven, daarom doe ik het toch. Ik voel mij een hond die zijn baas mist, of een baas die zijn hond mist. Ze waren wel met elkaar verbonden via een hondenriem, maar die zat te strak. Mijn gedachten buitelen over elkaar heen, langs elkaar heen. Ik ben een bonk gevoel, de gedachten vormen zich om die bonk heen. Het gevoel was eerst: Van jou houden, de gedachten waren daar omheen gesponnen. De gedachten gingen over mijn hele leven bij jou blijven, met jou blijven, voor jou zorgen, voor onze liefde zorgen. Ik heb je misschien verstikt.
Het gevoel is nu: jij daar, ik hier, gemis. Dat zorgt voor warrige gedachten. Vragen zijn er ook nog, ik denk nu bijvoorbeeld: Hoe lang wilde je al niet?
Ik dompel mij onder in een bad van drank en drugs. Althans, dat deed ik gisteravond even. Ik moest ook maar blijven praten. Praten praten praten. En vandaag ook: Praten praten praten. Ik heb mijn tandarts afgezegd, want mijn kaken deden er pijn van. Met mijn vader gesproken en met een goede vriendin gebeld. Ik heb jou ook even gesproken. Het was een volwassen gesprek. Ik vond het fijn je stem te horen. Misschien is het al die tijd verliefdheid geweest waardoor onze gesprekken soms zo stroef verliepen. Misschien hoeven wij niet zoveel tegen elkaar te zeggen.
