Op de vierde dinsdag van december vroor het. De straten waren glad en we reden voorzichtig door de weerspiegelende straten in de stad. Toen we na ongeveer vijfentwintig minuten bij ons huis aankwamen glibberde de auto op het wegdek. Nadat het gelukt was hem tot bijna stilstand te brengen en hem te parkeren in de open ruimte tussen de struiken, wilden we behoedzaam uitstappen, maar de wind trok hard aan onze portieren en we hoorden vervaarlijk gefluit (van die wind) tussen de elektriciteitsdraden door. We moesten ons schrap zetten.
De bomen bewogen ook vervaarlijk. Ik meen me zelfs te herinneren dat er blaadjes dwarrelden, of vlogen, vlak langs ons heen.
Binnen was het warm, de kachel stond nog aan en we legden het maatpak dat we die middag hadden gekocht op tafel. Er zat een plastic / stoffen hoes omheen, ik rookte drie sigaretten achter elkaar, maar wel met enkele momenten ertussen.
Ik rookte drie sigaretten, maar wel met enkele momenten ertussen. Ik verschoof het maatpak van links naar rechts over de tafel, achteloos met mijn handen strijkend over het plastic. Ondertussen keek jij naar het maatpak, dat daar achteloos op tafel lag.
Ik had de hele weg niet gerookt.
