De kat loopt door de kamer. Wij spelen Wie ben ik en zitten naast en tegenover elkaar aan tafel. Ik ben een god. ‘Johan Cruyff’ was al snel geraden door de vriendin. Vriend 1, die ‘zichzelf’ is, was ook snel geraden. Ik kijk altijd naar mezelf… Ik heb geen idee. Vriend 2 is ‘presentator’, verder komt hij niet.
Ik kijk altijd naar mezelf en specifieker: in de spiegel. ‘Narcissus!’ roep ik. We zitten ondertussen te kletsen, alleen vriend 2 moet zijn zogenaamde alter ego nu nog raden. Normaal gesproken is hij bijna alwetend, maar nu lukt het niet. Hij heeft ook geen tv.
Vlak voor het eten heb ik een verhaaltje uit mijn eigen dagboek als tienjarige laten lezen aan de vriendin. Het ging erover dat ik geen blauwe key-broek van mijn moeder kreeg, maar een andere en dat mijn moeder vervolgens vond dat ik er met een ‘lang’ gezicht bij liep. Daar was ik destijds behoorlijk verbolgen over. Het verhaaltje was een ‘en toen en toen en toen’-verhaaltje, zoals een tienjarige schrijft.
‘Hm!’ zeg ik tegen de vriendin. Was ik nou zo’n verwend nest als kind? ‘Welnee,’ zegt zij. ‘Dat is heel normaal op die leeftijd. Een soort van pre-puberteit.’
‘Ergens ook wel goed dat ze me niet altijd m’n zin gaf,’ zeg ik.
‘Ik liep als kind altijd in van die grote slobbertruien. Mijn ouders waren blij toen ik eindelijk om kleding ging geven. Toen ging ik ineens naar de Wonderwoman. Liep ik ineens in van die lange synthetische zweetjurken,’ zegt zij.
Michael Jacksons Man in the Mirror staat op.
Ik kijk naar de kat, die naar mij kijkt. Ze zit er ontspannen bij, daar op het kleedje.
‘Wil je One Day I’ll fly away van Randy Crawford opzetten?’ vraagt vriend 2. ‘Dan kan ik me beter focussen.’ De vriendin zet het op. We vinden het allemaal mooi alleen de vriendin vindt haar gezichtsuitdrukkingen nogal overdreven. Vriend 2 weet nog steeds niet wie hij is. ‘Je zit ook wel eens in een auto,’ zeg ik met een knipoog. Dan roept hij: ‘Peter R. de Vries.’ ‘Klopt!’ roep ik. Hij haalt het briefje van zijn voorhoofd.
De ogen van deze kat geven licht. Gefascineerd houd ik haar blik een paar seconden vast.
‘Katten mag je niet aankijken, daar worden ze ongemakkelijk van,’ zeg jij. Dan draait ze zich om en loopt weg. Toch geloof ik je niet. Ik zeg altijd iets liefs tegen een kat terwijl ik haar aankijk.
‘Zullen we diagonalen maken door de woonkamer?’ vraag ik. ‘Ja, we hebben er nu een publiek voor,’ zegt de vriendin. Diagonalen zijn lange sprongen in de lucht, schuin door de kamer heen. We doen het natuurlijk niet, maar het idee is leuk. Ik schenk mijn glas met rode wijn bij, zij ook. Ik mors een beetje op tafel.
De kat staat nu bij mijn benen. Katten hebben onder elkaar een andere mauw dan tegen mensen. Maar wat ik me nou afvraag: Hoe komt het dat katteogen licht (lijken te?) geven in het donker? Gelukkig hebben we wikipedia, en ik besluit dit morgen op te zoeken, als een heuse generatie Y-er. En dan zoek ik ook meteen op wat een charcuterie is, want dat wil ik ook al heel lang weten.
