We kochten een oventje. Althans: in het sprookje kochten we een oventje. Daarna gingen we op vakantie en na de vakantie bakten we pizza’s, soms zelfs van zelfgemaakt deeg.
De werkelijkheid was veel grauwer… We kochten helemaal geen oventje maar stopten samen met roken. Toen raakte het oventje op de achtergrond in onze gesprekken. Wel maakten we lange wandelingen en als we thuiskwamen gooiden we magnetronmaaltijden in de koekenpan. Meestal ging dat goed.
Onze gesprekken gingen over een computerprogramma waar ik niet echt veel van snapte.
Overdag bespiedde ik de bedrijvigheid in het parkje bij ons huis, terwijl jij ergens anders aan het werk was.
Maar goed… We zijn nu vijf maanden verder en we hebben nog steeds geen oventje. We zijn nog steeds niet opgeruimd met vakantie gegaan en het maatpak hangt nog steeds onaangeroerd in de kast…
Later zag ik eens dat je een gedicht schreef met lange zinnen. Toen dacht ik dat dat gedicht over mij ging: Je schreef zoals je eerder tegen mij sprak. Met lange zinnen zonder punt.
Bespiedfoto: Een man schoffelt in een perkje bij ons huis.
