Vieze Phil | 10 | Wus kwijt

We lopen het park uit. Lantaarnpalen schijnen gelig licht op ons en op het wegdek. Maks en Mandy lopen gearmd naast me. Af en toe huppelen ze en dan weer staan ze stil. De lucht is donkerblauw. Ze praten tegen me maar ik kan ze ineens niet goed verstaan. Of: ik kan ze wel verstaan maar ze horen me niet. Mandy draagt een gebreide muts. Ik kan er niet bij want ze hebben geen armen vrij. Er zijn geen sterren. Er is geen maan. Er zijn wel koffertjes met platen, er is een gitaar, er zijn wapperende (brandende) sigarettenpeuken en er is een rood handtasje.

Ik pak mijn telefoon en bel.

Een nummer afgesloten-geluid.

Wus is kwijt.

Ik kijk rond.

Mandy vraagt of ik mee ga maar ik zeg ‘nee’. Allemaal rode autootjes rijden kris kras over de weg. Ze maken slingerende bewegingen, alsof ze dronken zijn. Ik vis een verfrommeld briefje uit mijn broekzak, loop naar een lantaarnpaal en zet een denkbeeldige detectivebril op mijn neus. Dit staat er:

Angst is een vreemdeling op de wegen der liefde. Vereenzelvig je met angst en je zult voor jezelf een vreemde zijn. En dus ben je aan jezelf onbekend.

Ik knijp het fijn, stop het in mijn jaszak en loop naar een voordeur. Achter een van de bellen woont vast wel iemand die weet waar Wus is.

Henk, Ineke & Babette of
Joop Meijer (drie keer zo lang mogelijk bellen!) of
D. van Rijn & T. (Tomaat! Transgressie!) van Drielenburg – pianolessen of
Pepijn

Er klinkt duidelijk pianogespeel uit een raam. Ik bel als eerste bij D. & T. aan maar daar doet niemand open, terwijl ik dus wel degelijk allerlei gepingel hoor.

Als ik me vervolgens omdraai zie ik Mandy niet meer. Op de achtergrond in een tuintje verschijnen twee katten. Een zwarte en een witte. Ze draaien eerst om elkaar heen, maken samen een hartje en lopen dan (samen!) naar me toe. De vriezer heeft zich verplaatst naar de kelder. De roomservice komt eraan. Ik sta voor de spiegel en knip mijn haar.

Goed, waar ben ik?

O ja, ik loop naar die deur maar niemand doet open.

Niemand doet open.